Gebruiksnormen voor dierlijke mest, stikstoffen en fosfaat

1. Gebruiksnormen voor dierlijke mestIngevolge de Nitraatrichtlijn mag aan landbouwgrond jaarlijks maximaal 170 kg N per hectare uit dierlijke mest worden toegediend. Dit is inclusief de mest van weidende dieren. Voor bedrijven met minimaal 80% grasland is voor de jaren 2014 t/m 2017 een derogatie mogelijk, waarbij de maximale gift aan mest van graasdieren 230 kg N per hectare per jaar bedraagt op de zuidelijke en centrale zandbodem en lössbodems en 250 kg N per hectare op de overige bodems. De derogatie geldt niet voor mest van hokdieren, zoals varkens, pluimvee en vleeskalveren. De derogatie geldt ook niet voor die hectares landbouwgrond waarop mest van hokdieren wordt toegepast. Daar geldt de maximale norm van 170 kg N per hectare uit dierlijke mest. Voor de berekening van de hoeveelheid stikstof die in dierlijke mest wordt geproduceerd, zijn door de overheid forfaitaire normen opgesteld. Deze zijn voor melkvee afhankelijk van de gemiddelde melkproductie en van het ureumgehalte in de melk. Voor andere graasdieren zijn excretienormen vastgesteld. Voor varkens en pluimvee wordt een zogenaamde stalbalans opgesteld. Nadere informatie is te vinden op www.mijn.rvo.nl, onder de link naar het onderwerp "Mest", doorklikken naar "Dierlijke gebruiksnorm en gebruiksruimte".

Bedrijven met derogatie moeten aanvullend nog aan enkele voorwaarden voldoen ( zie ook www.mijn.rvo.nl/derogatie):
  • minimaal 80% van het landbouwareaal moet uit grasland (bestemd voor veevoeding) bestaan (graszaad en vanggewassen tellen niet mee);
  • ieder jaar moet voor 1 februari een bemestingsplan worden opgesteld;
  • minimaal eens in de vier jaar moet van alle percelen de fosfaattoestand en het stikstofleverend vermogen via grondbemonstering worden vastgesteld; bemonsteren voor 1 februari (in 2014 voor 14 juni);
  • gebruik van fosfaat in de vorm van kunstmest is niet toegestaan;
  • de derogatie moet jaarlijks voor 1 februari via internet worden aangevraagd;
  • jaarlijks moet een tarief per ha landbouwgrond worden betaald en
  • de veehouder moet bereid zijn aan monitoringsonderzoek mee te werken.
     
 2. Gebruiksnormen voor de hoeveelheid werkzame stikstof
De stikstofgebruiksnorm is de hoeveelheid werkzame stikstof die per kalenderjaar maximaal op een hectare landbouwgrond mag worden gebruikt. De stikstofgebruiksnormen zijn afhankelijk van gewas en grondsoort. Bij twee achtereenvolgende teelten binnen een kalenderjaar op hetzelfde perceel is voor elke teelt een stikstofgebruiksnorm vastgesteld. De stikstofgebruiksnormen zijn gebaseerd op de gemiddelde bemestingsadviezen. Om de milieudoelstellingen te realiseren zijn daarop soms kortingen toegepast. In onderstaande tabellen is een aantal van de thans bekende stikstofgebruiksnormen voor 2015 tot 2017 vermeld. Na 2017 kunnen verdere aanscherpingen van deze normen plaatsvinden. De actuele stikstofgebruiksnormen zijn te vinden op de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) (voorheen Dienst Regelingen van het Ministerie van EZ), https://mijn.rvo.nl/mest-tabellen-en-normen en dan doorklikken naar "Gebruiksnormen en gebruiksruimte".

Tabel A. Stikstofgebruiksnormen voor grasland in 2015-2017, kg N per ha.
Grasland en -gebruik Klei Veen Zand / löss
Grasland met beweiden 345 265 250
Grasland met volledig maaien 385 300 320
Tijdelijk grasland Afhankelijk van de periode tot moment van
scheuren (zie www.mijn.rvo.nl  )
 
Tabel B. Stikstofgebruiksnormen voor een aantal akkerbouwgewassen in 2015-2017, kg N per ha.
Gewas Klei Noordelijk, westelijk en centraal zand* Zuidelijk zand* Löss Veen
Consumptieaardappel 1) 250 235 188 184 245
Pootaardappel 2) 120 120 120 120 120
Zetmeelaardappel 240 230 184 184 230
Suikerbiet 150 145 116 116 145
Wintertarwe 245 160 160 190 160
Zomertarwe 150 140 140 140 140
Wintergerst 140 140 140 140 140
Zomergerst 80 80 80 80 80
Maïs (met derogatie) 160 140 112 112 150
Maïs (zonder derogatie) 185 140 112 112 150
Graszaad (Lp, 1e jaar) 165 150 120 120 155
Zaaiui 170 120 120 120 120
Koolzaad (winter) 205 190 152 152 195
Koolzaad (zomer) 120 120 96 96 120
Vlas 70 70 56 56 70
Niet vlinderbloemige groenbemesters 60 50 50 50 60

* Friesland, Groningen, Drenthe, Noord-Holland, Zuid-Holland, Flevoland, Zeeland, Overijssel, Gelderland, Utrecht
** Limburg, Noord-Brabant


1) Voor een aantal rassen geldt een norm die 25 kg hoger of lager is, zie www.mijn.rvo.nl/
2) Voor een aantal rassen geldt een norm die 20 kg hoger of lager is, zie www.mijn.rvo.nl/Tabel C. Stikstofgebruiksnormen voor een aantal vollegrondsgroente- en vruchtgewassen in 2015-2017, kg N per ha.
Gewas Klei Noordelijk, westeljjk en centraal zand* Zuidelijk zand* Löss Veen
Spinazie (1e teelt) 260 190 152 152 200
Spinazie (volgteelt) 185 145 116 116 150
Slasoorten (1e teelt) 180 165 132 132 170
Slasoorten (volgteelt) 105 105 84 84 105
Andijvie (1e teelt) 180 170 136 136 170
Andijvie (volgteelt) 90 90 72 72 90
Prei 245 225 180 180 235
Spruitkool 290 265 212 212 275
Witte kool 320 290 232 232 305
Bloemkool 230 210 168 168 220
Broccoli 270 235 188 188 245
Aardbei (productie) 170 155 124 124 160
Asperge 85 75 60 60 80
Winter-/waspeen 110 110 110 110 110
Witlofwortels 100 100 100 100 100
 
* Friesland, Groningen, Drenthe, Noord-Holland, Zuid-Holland, Flevoland, Zeeland, Overijssel, Gelderland, Utrecht
** Limburg, Noord-Brabant


In de berekening van het toegestane gebruik aan stikstof tellen alle meststoffen mee, zowel organische als minerale meststoffen. Omdat niet alle stikstof uit organische meststoffen beschikbaar komt voor het gewas, wordt gerekend met een stikstofwerkingscoëfficiënt. De stikstofwerkingscoëfficiënt is het percentage van de stikstof uit een organische meststof dat even goed werkt als kunstmeststikstof. Voor drijfmest geldt over het algemeen een stikstofwerkingscoëfficiënt van 60% (voor bouwland; voor varkensdrijfmest op zand en löss is dit 80%), voor vaste mest van 55% bij varkens, pluimvee en nertsen en 40% voor overige vaste mesten. Bij najaarstoediening op klei- en veenbouwland zijn de werkingscoëfficiënten voor vaste mest lager vastgesteld. Wanneer grasland wordt beweid geldt voor de mest van graasdieren een stikstofwerkingscoëfficiënt van 45% (dit is inclusief de mest en urine die het weidende dier zelf in de weide deponeert). Zonder beweiding geldt de eerdergenoemde 60%. Voor compost geldt een stikstofwerkingscoëfficiënt van 10%, voor champost van 25% en voor zuiveringsslib van 40%.

3. Gebruiksnormen voor de hoeveelheid fosfaatDe fosfaatgebruiksnorm is de maximale hoeveelheid fosfaat die per kalenderjaar op een hectare mag worden gebruikt. Alle meststoffen tellen mee, dus ook minerale meststoffen (kunstmest). Voor sommige compostsoorten wordt daarbij een vrije voet gehanteerd overeenkomend met 50% tot een maximum van 3,5 kg P2O5 per 1000 kg droge stof (N.B.: Champost behoort vanaf 2006 tot de categorie dierlijke mest.) In Tabel D zijn de fosfaatgebruiksnormen samengevat. Er wordt geen onderscheid gemaakt naar grondsoort. Wel wordt er onderscheid gemaakt op basis van de fosfaattoestand van de grond. Onderscheiden worden drie klassen: gronden met hoge, neutrale en lage fosfaattoestand.
 
Tabel D. Fosfaatgebruiksnormen voor landbouwgrond in Nederland, kg P2O5 per ha.
Grondgebruik P-toestand  Categorie Vanaf 2015 
Grasland P-AL >50 Hoog 80
P-AL 27-50 Neutraal 90
P-AL <27 Laag 100
Bouwland 2) Pw-getal >55 Hoog 50
Pw-getal 36-55 Neutraal 60
Pw-getal <36 Laag 75
  
 
Voor bouwland geldt dat een overschrijding van de fosfaatnorm met maximaal 20 kg P2O5 per ha is toegestaan, mits dit in het volgende jaar wordt gecompenseerd.

Voor fosfaatarme en fosfaatfixerende gronden geldt dat gedurende vier jaren maximaal 120 kg P2O5 per hectare mag worden gebruikt, mits aangetoond wordt dat de fosfaattoestand van de grond onvoldoende is. Voor grasland geldt als grens een P-AL-getal lager dan 16, voor bouwland een Pw-getal lager dan 25. Vanaf 2014 mag deze reparatiegift, zowel in de vorm van anorganische als in de vorm van organische meststoffen (waaronder dierlijke mest) worden gegeven.