Regelgeving voor meststoffengebruik 2015

Algemeen
Het gebruik van meststoffen is in Nederland aan een groot aantal regels gebonden. Deze regels zijn er vooral op gericht om verliezen naar het milieu te minimaliseren. Verliezen vinden plaats naar het grond- en oppervlaktewater (met name nitraat en fosfaat) en naar de lucht (zoals ammoniak en lachgas). Ook excessieve ophoping van voedingsstoffen in de bodem (bijvoorbeeld van fosfaat) moet worden voorkomen.
In Europees verband wordt het gebruik van stikstofhoudende meststoffen geregeld in de Nitraatrichtlijn. In Nederland is een groot deel van de mestwetgeving op deze Nitraatrichtlijn gebaseerd. Vanaf 2006 gelden dan ook gebruiksnormen voor dierlijke mest, voor werkzame stikstof en voor fosfaat. Daarnaast bestaat er een aantal specifieke regels omtrent het gebruik van meststoffen. Daarvoor is het Besluit gebruik meststoffen (Bgm) van belang.
In het volgende wordt kort ingegaan op de Nitraatrichtlijn, op de gebruiksnormen en op het Bgm.

Wat houdt de Nitraatrichtlijn in?
Voor het gebruik van meststoffen is met name de Nitraatrichtlijn van belang. De Nitraatrichtlijn is Europese regelgeving en stelt regels ten aanzien van de hoeveelheid stikstofhoudende meststoffen die mag worden gebruikt. De doelstelling van de Nitraatrichtlijn is dat grond- en oppervlaktewater beschermd worden tegen vervuiling veroorzaakt door nitraat afkomstig van agrarische bronnen. De maximale hoeveelheid nitraat in grondwater is daarbij gesteld op 50 mg nitraat per liter.
Op grond van de Nitraatrichtlijn geldt een maximaal toegestane stikstofgift uit dierlijke mest van 170 kg N per hectare per jaar. Voor het gebruik van kunstmeststikstof dient de Goede Landbouw Praktijk te worden gevolgd. De Nitraatrichtlijn is in de Nederlandse regelgeving geïmplementeerd via een actieprogramma. Vanaf 2014 geldt het in 2013 vastgestelde 5e Actieprogramma.
Nederland had aanvankelijk gekozen voor een andere systematiek dan de Nitraatrichtlijn, vormgegeven in het Mineralenaangiftesysteem (MINAS). Door de Europese Unie is dit systeem echter afgewezen. Daarom is per 1 januari 2006 het systeem van gebruiksnormen in Nederland geïntroduceerd. Nederland behoeft de Nitraatrichtlijn echter niet onverkort in te voeren. Voor bedrijven met meer dan 80% grasland is het mogelijk een zogenaamde derogatie voor het gebruik van dierlijke mest te verkrijgen. Deze derogatie moet door agrariërs jaarlijks voor 1 februari worden aangevraagd en houdt in dat maximaal 230 kg N per hectare uit dierlijke mest op de zuidelijke en centrale zandbodems en lössbodems mag worden gebruikt en 250 kg N per hectare uit dierlijke mest op de overige bodems. Dit geldt echter alleen voor mest van graasdieren. 
Op derogatiebedrijven is het gebruik van fosfaat in de vorm van kunstmest vanaf 2014 niet meer toegelaten. Meer informatie over de derogatie is te vinden op https://mijn.rvo.nl/derogatie.
 
Welke gebruiksnormen gelden?
In het mestbeleid zijn drie types gebruiksnormen gedefinieerd:
  • een norm voor de maximale gift aan dierlijke mest;
  • een norm voor het gebruik van werkzame stikstof; en
  • een norm voor het gebruik van fosfaat.
Deze gebruiksnormen gelden per kalenderjaar en mogen op bedrijfsniveau niet worden overschreden. Er wordt dus niet gekeken of een bedrijf per perceel of per gewas aan de gebruiksnormen voldoet. Bij overschrijding van de gebruiksnormen wordt een boete opgelegd. Een uitzondering daarop is gemaakt voor fosfaat, echter uitsluitend op bouwland. Daar geldt dat een overschrijding van maximaal 20 kg P2O5 per hectare per jaar mag worden verrekend met een onderschrijding in het volgende jaar.

Besluit gebruik meststoffen (Bgm)
Naast de gebruiksnormen bestaat een aantal specifieke regels omtrent het gebruik van meststoffen. Voor het toedienen van meststoffen is het Besluit gebruik meststoffen (Bgm) relevant. Daarin wordt onder meer geregeld in welke periodes en onder welke (bodem)condities meststoffen mogen worden uitgereden en hoe meststoffen moeten worden toegediend (wijze van strooien en emissiearme toedieningsmethoden voor dierlijke mest en zuiveringsslib). Enkele belangrijke zaken met betrekking tot de periode van toediening van meststoffen:
  • Het toedienen van dierlijke mest en/of zuiveringsslib is gedurende een beperkte periode toegestaan. Deze periode is afhankelijk van grondgebruik, grondsoort en jaar. In onderstaand schema is een overzicht gegeven: groen à toediening toegestaan; rood à toediening niet toegestaan.

 
  • Vanaf 16 september tot 1 februari is het verboden kunstmeststikstof toe te dienen op bouwland en grasland. Dit geldt niet voor:
      vollegrondsgroenten 
      tussen 16 september en 16 oktober voor de fruitteelt, voor winterkoolzaad en voor tweedejaars graszaad van de rassen roodzwenk- of veldbeemdgras
    -   het gebruik van ureum in de fruitteelt en
      tussen 16 januari en 1 februari voor de teelt van hyacinthen of tulpen 


Daarnaast is nog een aantal andere maatregelen van belang, zoals:

  • Het is verboden grasland te vernietigen, behalve: 
      in de periode 1 februari t/m 15 september op klei- en veengrond
      in de periode 1 februari t/m 10 mei op zand- en lössgrond, wanneer direct na het vernietigen opnieuw gras wordt gezaaid loopt deze periode t/m 31 mei 
  • Op kleigrond geldt het vernietigingsverbod niet in de periode 16 september tot 1 december voor de teelt van tulp, krokus, iris of muscari na gras op kleigrond en in de periode 1 november tot 1 januari voor de teelt van een ander gewas dan gras na het vernietigen van de bestaande graszode.
  • Op zand- en lossgrond geldt het vernietigingsverbod niet in de periode 1 t/m 15 augustus voor de teelt van lelies en gladiolen, mits de grond na vernietiging meteen wordt ontsmet en voor 15 september een stikstofbehoeftig gewas wordt geteeld.
  • Na het vernietigen van de graszode moet een stikstofbehoeftig gewas worden geteeld en is het nemen van een grondmonster verplicht.
  • Op zand- en lössgrond is het telen van gras, winterrogge, bladkool, bladrammenas, wintertarwe, wintergerst of triticale na de teelt van maïs verplicht.
  • Langs natuurlijke waterlopen in ‘hoog' Nederland worden bemestingsvrije zones van minimaal 5 meter verplicht.
  • Dierlijke mest en zuiveringsslib moeten emissiearm worden aangewend, behalve bij bouwland op Texel.
  • Meststoffen mogen niet worden toegediend indien de grond: 
      geheel of gedeeltelijk is bevroren (uitzondering geldt onder voorwaarden voor graan op klei);
      geheel of gedeeltelijk is bedekt met sneeuw
      met water is verzadigd (bovenste laag)
    -   tegelijkertijd wordt bevloeid, beregend of geïnfiltreerd
  • Voor gronden met een hellingspercentage van 7 of meer gelden specifieke regels omtrent de toediening van meststoffen.

Voor het gebruik van zuiveringsslib zijn nog bijzondere doseringsvoorschriften van toepassing. Bij gebruik van zuiveringsslib moet de bodem eerst worden bemonsterd en geanalyseerd op het gehalte aan zware metalen. Deze mogen de in Bgm opgenomen toetsingswaarden niet te boven gaan.