Kalium

Kalium (K) is na stikstof, de voedingsstof die door planten in de grootste hoeveelheid wordt opgenomen. Kalium is geen bestanddeel van de organische stoffen waaruit de plant is samengesteld. Het komt in het celvocht uitsluitend voor in de vorm van kaliumionen. Deze kaliumionen vervullen echter een onmisbare functie bij de vochthuishouding en de stofwisselingsprocessen in de plant. Daardoor heeft kalium een gunstige invloed op de opbrengst en kwaliteit van gewassen.

Kalium heeft de volgende eigenschappen:
  • Het vermindert de gevoeligheid van de gewassen voor droogte.
  • Het vermindert de gevoeligheid van het gewas voor (nacht)vorst.
  • Het kan de schade door sommige schimmelziekten enigszins beperken.
  • Het verbetert kwaliteitseigenschappen (zoals smaak, kleur, geur, houdbaarheid) van diverse producten.
  • Voor grasland geldt dat kaliumtekort de groeisnelheid van het gras remt.

In de bemestingspraktijk wordt niet gesproken van kalium (K) maar veel meer van kali (K2O).

De hoeveelheid kalium die gewassen opnemen, verschilt sterk per gewas. Granen nemen gemiddeld minder dan 100 kg kali (K2O) per ha op. Voor aardappelen en bieten kan dit circa 350 kg K2O per ha zijn en bij grasland en bij een groentegewas als peen 500 tot meer dan 600 kg K2O per ha per jaar.

Kalibemestingsadviezen voor grasland en voedergewassen zijn beschikbaar via https://www.bemestingsadvies.nl/nl/bemestingsadvies.htm; kalibemestingsadviezen voor de akkerbouw en de vollegrondsgroententeelt via http://www.handboekbodemenbemesting.nl/nl/handboekbodemenbemesting/Handeling/Bemesting/Kali.htm