Het belang van bemesten

Met een juiste bemesting zorgt u voor:
  • voldoende voedingsstoffen voor de gewassen
  • gunstige groeivoorwaarden in de grond zoals structuur, zuurgraad en voorraad van voedingsstoffen (nutriĆ«nten)
  • kwalitatief en kwantitatief goede gewasopbrengst
  • een goede gezondheid van het vee
Uitgebreide informatie over bemesting

Op een land- of tuinbouwbedrijf worden gewassen geteeld. De producten worden geoogst en afgevoerd van het perceel. Met het oogstproduct worden ook voedingsstoffen afgevoerd. Deze voedingsstoffen zijn afkomstig uit de bodem of zijn aangevoerd via bemesting of neerslag (depositie). Daarnaast gaan voedingsstoffen uit de bodem verloren via uitspoeling en via gasvormige verliezen. Tenslotte worden ook voedingsstoffen vastgelegd in de bodem, die voor een deel later beschikbaar komen en voor een deel min of meer definitief zijn vastgelegd.
Met bemesting zorgt u voor een toevoer van voedingsstoffen en instandhouding van de bodemvruchtbaarheid. Onderstaand is schematisch een deel van de kringloop van voedingsstoffen weergegeven.

Planten hebben voedingsstoffen nodig. De belangrijkste (anorganische) stoffen zijn:
 
  • koolstofdioxide (CO2)
  • water (H2O)
  • zouten / mineralen
     
Koolstofdioxide en water leveren de elementen koolstof (C), waterstof (H) en zuurstof (O), voor de organische bestanddelen van de plant (bijvoorbeeld koolhydraten). Koolstofdioxide (ook wel kooldioxide of koolzuurgas genoemd) wordt uit de omringende lucht opgenomen via de huidmondjes. Water wordt voornamelijk door de wortels uit de grond opgenomen.
Voor sommige organische verbindingen moet de plant echter ook de beschikking hebben over andere zouten. Ten eerste zijn dat de elementen stikstof (N), fosfor (P) en zwavel (S). Daarnaast hebben gewassen ook kalium (K), calcium (Ca) en magnesium (Mg) nodig. Samen met C, H en O vormen dit de hoofdelementen (of macro-elementen) waarvan de plant betrekkelijk grote hoeveelheden opneemt.
De plant heeft tevens enkele spoorelementen of micronutriƫnten nodig, maar slechts in geringe hoeveelheden, namelijk mangaan (Mn), koper (Cu), borium (B), molybdeen (Mo), ijzer (Fe) en zink (Zn).
In de praktijk van de bemesting gaat het vooral om het toedienen van stikstof (N), fosfor (P) en kalium (K). Deze moeten zowel op bouwland als op grasland bijna ieder jaar in redelijke hoeveelheden worden toegediend.
Tot midden jaren '90 kwam in Nederland met de neerslag voldoende zwavel (S) op de grond terecht. Tegenwoordig is de uitstoot van zwavelhoudende gassen door industrie en verkeer sterk verminderd. Daardoor is met name in het noorden en oosten van Nederland de aanvoer van zwavel vaak lager dan de afvoer met het gewas. Op lichte gronden is een zwavelbemesting daardoor noodzakelijk geworden.
Calcium (Ca) wordt met verschillende N- en P-meststoffen aangevoerd. Ca is dan vulstof (dit staat niet altijd op het etiket aangegeven). Ca als plantenvoeding is zo in voldoende mate aanwezig. Kalkmeststoffen worden dan ook met een andere reden gestrooid, namelijk om de zuurgraad te verlagen (de pH te verhogen) en de structuur van de grond te verbeteren.
Daarnaast worden meststoffen met magnesium (Mg), natrium (Na), mangaan (Mn), koper (Cu) en borium (B) gebruikt om extra voedingsstoffen te leveren voor het gewas. Bemesting met molybdeen (Mo) is op sommige gronden gewenst. Een tekort aan ijzer (Fe) (Fe-tekort) komt in de landbouw weinig voor. In de tuinbouw worden Fe-houdende producten echter regelmatig gebruikt, met name in de fruitteelt en de kasculturen.
Minerale meststoffen worden dus in de eerste plaats gegeven als voedingsstoffen voor het gewas en ter verbetering van de structuur van de grond. In de tweede plaats kunnen minerale meststoffen toegediend worden ter verbetering van de gezondheidstoestand van het vee. Op grasland kan daarom toediening van kobalt (Co) en koper (Cu) nodig zijn.
De groei van gewassen wordt naast de beschikbaarheid van de diverse voedingsstoffen, onder andere bepaald door:
  • de zuurgraad van de grond;
  • de bodemstructuur;
  • de vochtvoorziening;
  • de ontwatering en
  • het bodemleven, onder andere mineralisatie, nitrificatie, etc.